|
|
Carl Michiels - directeur Belgische Technische Coöperatie (BTC)
Ik was in de zesde (het eerste leerjaar nu, al snap ik daar de logica niet van) missiepresident. Het zat er dus al vroeg in. Naast het feit dat ik daardoor een wezenlijke bijdrage leverde aan de verspreiding van het katholieke geloof, waren er andere belangrijkere perks verbonden aan deze functie. Daardoor mocht ik namelijk op woensdagnamiddag de school verlaten om een teruggekeerde missiezuster van de Jacht in Heverlee te bezoeken, samen met andere klasgenoten, die op dat moment plots hun vriendschap voor mij en hun bekommernis om de ontkerstening van de wereld ontdekten. Je moet weten dat SALCO toen nog een internaat was, waarin ook de enkele externen verondersteld werden om de hele week van 8u15 tot 18u10 (na de verplichte studie en de even verplichte dagelijkse mis!) op school te blijven. Onze roeping op woensdag liet ons toe om even aan de school te ontsnappen en (vooral) langs een frituur te passeren.
In deze tijden waar snoep-, fruit-, oxfam- en kebabautomaten naast elke klasdeur staan, is het moeilijk in te beelden maar toen was de refterkeuken de enige bron van voeding. En ik kan je verzekeren dat je er als opgroeiende jongeling alle belang bij had om extra caloriebronnen aan te boren. God ( elke dag een mis, dat laat zijn sporen achter), wat was dat eten slecht. Rode kool werden ‘pilletjes’ genoemd om dat je ze best met een glas water doorspoelde. De ‘smoelpap’ werd later gepatenteerd als behangerslijm. Bref, de paters en het keukenpersoneel deden hun uiterste best om ons te laten delen in de vreugden van hun ascetische leven.
Eén uitzondering: Donderdag als er frieten geserveerd werden. Dan werd er zelfs bijgehaald, al ging dat niet vanzelf. Met een knal van zijn zweep (of was het een voetbalfluitje, dat weet ik zo goed niet meer) gaf Pater Directeur een startschot aan de tafelpresidenten (Salco had toen een getrapt systeem van representatieve dictatuur) om de kommen nogmaals te vullen. Want natuurlijk was er niet genoeg voor iedereen. In een voorloper van wat later de barmannenrace zou worden stormden de jagers-verzamelaars van elke tafel naar de keuken om bij juffrouw Maria de voor hun groei zo noodzakelijke voedingsstoffen te halen.
Juffrouw Maria, toen nog een frisse tachtigster, was het enige vrouwelijke element op de school, die nog niet gemengd was (het heeft jaren geduurd voor de paters-inrichters dat woord over de lippen kregen zonder eerst te slikken). Ik ben haar nog steeds dankbaar dat zij ons in onze all-male school het bewijs leverde dat er nog een andere soort mensen was, namelijk één dat niet naar natgeregende voetbalkousen rook.
Al kon ze natuurlijk niet alles goedmaken: Op onze eerste schoolfuif (don’t ask) hadden we geen andere keuze dan onze moeders, zussen en voornoemde Zuster Maria mee te te brengen, kwestie van tijdens een bamba (ken je die nog?) niet eeuwig in een rondje te moeten lopen. Dit overigens tot grote wanhoop van de leraar geschiedenis die steeds een levendige belangstelling had voor onze (latere) amoureuze estabettementen.
Wat nog? Iets over de leraars? Alhoewel ze -waarschijnlijk tot hun eigen afgrijzen- wezenlijk bijgedragen hebben tot wat ik nu ben, weinig spectaculaire herinneringen: Pater Valentijn, die het Latijn correct en dus met een zwaar West-Vlaams accent uitsprak, Pater Raymond, die zijn bijnaam ‘de Rubber’ te danken had aan het feit dat we alleen rubberen studs mochten dragen, de turnleraar, waarvan ik bij God (heb je ‘m weer) de echte naam niet meer weet, enz, enz…
Na zes jaar SALCO stapte ik uitstekend opgeleid en totaal wereldvreemd het echte leven in.

|